dinsdag, april 24, 2012

538. Onbegrijpelijke vrijspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2012 die ‘het niet nakomen van de omgangsregeling’ bij gezamenlijk gezag in uitspraak LJN: BW0594 niet strafbaar stelt

LJN: BW0594, Gerechtshof Amsterdam , 23-002595-10
Datum uitspraak: 20-03-2012
Datum publicatie: 02-04-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Vrijspraak overtreding artikel 279 Sr. Geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Naar de kennelijke bedoeling van de wetgever dient het naleven van een omgangsregeling in beginsel te worden gehandhaafd d.m.v. civielrechtelijke maatregelen. Een aparte strafbaarstelling is door de wetgever vooralsnog niet overwogen.

Uitspraak

parketnummer: 23-002595-10
datum uitspraak: 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13/425099-09 tegen

[verdachte],
geboren te [plaats en datum],
wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 30 maart 2010 en 18 mei 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 december 2003 tot en met 1 april 2009 te Blaricum en/of te Hoogezand, gemeente Hoogezand Sappemeer, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer minderjarig(e) kind(eren), te weten [naam en geboortedatum kind 1] en/of [naam en geboortedatum kind 2], heeft onttrokken aan het wettig over die/dat minderjarig(e) kind(eren) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die één of meer minderjarige kind(eren) uitoefent, terwijl bovengenoemde minderjarige(n) jonger dan 12 jaar is/zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard, nu deze niet binnen de wettelijke termijn is betekend en de verdachte geen afstand heeft gedaan van deze termijn.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer over en maakt deze tot de zijne. Het verweer wordt verworpen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat de verdachte geen dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen heeft ontvangen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor zover hetgeen door de raadsman is aangevoerd al zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is de dagvaarding in hoger beroep blijkens de door de advocaat-generaal overgelegde akte van uitreiking rechtsgeldig aan de verdachte betekend. Het verweer wordt verworpen.

Voorts heeft de raadsman ook in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, schending van het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel, schending van het ne bis in idembeginsel en détournement de pouvoir.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank ten aanzien van deze door de raadsman gevoerde verweren over en maakt die tot de zijne. Nu ook overigens niet is gebleken van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, die tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden, worden de verweren verworpen.

Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Reclassering Nederland en zich daartoe bij de reclassering zal melden.

Vrijspraak
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij het strafbare feit als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zou hebben begaan. Bij de beantwoording van de vraag of dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen heeft het hof het volgende in beschouwing genomen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.

Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 29 oktober 2002 is, voor zover hier van belang, de echtscheiding tussen de verdachte en [naam aangever] uitgesproken en is bepaald dat hun twee minderjarige kinderen [namen kind 1 en kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de verdachte hebben. De verdachte en de aangever behielden van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen). Dit brengt mee dat de verdachte niet strafrechtelijk kan worden verweten de kinderen aan het gezag te hebben onttrokken. Zij heeft immers zelf mede het gezag.

De vraag die vervolgens rijst is of de verdachte kan worden verweten dat zij gedurende de ten laste gelegde periode de kinderen opzettelijk heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefent. In dat verband zijn de navolgende omstandigheden van belang.

De rechtbank Groningen heeft bij beschikking van 24 april 2003 een omgangsregeling vastgesteld op grond waarvan de aangever gerechtigd is de kinderen een weekend per twee weken bij zich te ontvangen, alsmede gedurende de helft van de basisschoolvakanties, waarbij de verdachte en de aangever zijn overeengekomen dat de aangever de kinderen niet zal meenemen naar, of anderszins in contact brengt met, zijn moeder of verdere familieleden van hem met uitzondering van zijn vader (de opa v.z. van de kinderen).

De verdachte heeft, naar zij ook heeft erkend ter terechtzitting in hoger beroep en ter terechtzitting in eerste aanleg, zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet gehouden aan voornoemde omgangsregeling.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 februari 2005 NJ 2005,203 - daarbij voortbouwend op een in 1991 gewezen arrest (NJ 1991,824) - overwogen dat degene die het wettig gezag uitoefent over een minderjarige daarnaast ook het opzicht over die minderjarige kan uitoefenen. Het oordeel van het Hof - in die aan de Hoge Raad voorgelegde zaak - dat de verdachte de minderjarigen aan het bevoegd uitgeoefende opzicht had onttrokken door zich niet aan de omgangsregeling te houden en de kinderen niet op de daarvoor bepaalde dag bij hun moeder terug te brengen, gaf niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.

In de onderhavige zaak doet zich de spiegelbeeldige situatie voor. Het handelen van de verdachte kenmerkt zich door het gedurende een langere periode niet meewerken aan de effectuering van een, door de rechter vastgestelde, omgangsregeling. De vraag komt op of op die spiegelbeeldige situatie voornoemd arrest zonder meer kan (of: dient te) worden toegepast, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 12 mei 2009 LJN BH9032 - voor zover thans van belang - heeft overwogen:

“Nu de uitspraak van de Canadese rechter van 25 februari 2005 inhoudt dat aan de opgeëiste persoon - tijdelijk - het gezag over haar minderjarig kind is toevertrouwd en dat aan de vader een omgangsrecht is toegekend, kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon het kind heeft onttrokken aan het in artikel 279 Sr bedoelde gezag of opzicht door op of omstreeks 18 maart 2005 - dus vóór de beslissing van de Canadese rechter van 24 maart 2005 (hof: waarin werd beslist dat aan de vader het tijdelijk gezag toekwam) - met het kind Canada te verlaten.”

Daarnaast is van belang hetgeen te lezen valt in de geschiedenis van de totstandkoming van Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding, zoals in werking getreden op 1 maart 2009.

In de Memorie van Toelichting bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) is onder meer het volgende opgenomen:
(…) 1. Algemeen
Het is voor de ontwikkeling van een kind belangrijk dat het, ook na scheiding van zijn ouders, contact heeft met beide ouders en dat de ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk blijven voelen voor zijn verzorging, opvoeding en ontwikkeling.
(…) Het wetsvoorstel wil deze ontwikkeling en versterken en beoogt daarmee de scheidings- en omgangsproblematiek te verminderen.

  3. Verantwoordelijkheid overheid
(...) De Stichting Samenwerkingsverband Familierecht heeft in haar advies aangegeven het wetsvoorstel te steunen maar heeft tevens aangegeven een effectief sanctiebeleid in de voorstellen te missen. Het wetsvoorstel doet inderdaad geen voorstellen om specifieke sancties op te leggen bij het niet nakomen van een zorg- of omgangsregeling. De bevoegdheid om op verzoek sancties op te leggen verandert niet.
 Voor een overzicht van de mogelijkheden verwijs ik naar mijn brief inzake effectuering omgang (Kamerstukken II 2003/04, 29520, nr. 6). Ik ben van mening dat het niet noodzakelijk is om, aanvullend op de huidige mogelijkheden, sanctiemogelijkheden in de wet op te nemen omdat hierdoor de ouders meer mogelijkheden in handen krijgen om hun strijd (over de hoofden van de kinderen) voort te zetten. De voorstellen zoals in het wetsontwerp opgenomen, in het bijzonder het ouderschapsplan, en de initiatieven die zijn genomen op het gebied van de mediation en de jeugdzorg zullen naar verwachting de scheidings- en omgangsproblematiek verminderen. Met deze maatregelen beoogt de overheid zijn verantwoordelijkheid te nemen zoals deze voortvloeit uit de internationale verplichtingen.

In de in de Memorie van Toelichting genoemde brief van 18 juni 2004 is de Minister van Justitie ingegaan op de effectuering van omgang en in het bijzonder op de dwang- en sanctiemogelijkheden. De minister heeft daarbij verwezen naar een eerdere brief van zijn hand van 13 april 2004 , waarin hij zijn voornemens kenbaar heeft gemaakt om de echtscheidingsprocedure te verbeteren. De minister heeft in de brief van 18 juni 2004 (vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr. 6) onder meer het volgende gesteld:

(…) Deze voorstellen die ik heb gedaan, hebben ten doel zoveel mogelijk te voorkomen dat er omgangsconflicten ontstaan. (…) Toch vraagt de problematiek rond omgang ook om een sluitstuk. Als ondanks de maatregelen en de inzet van mediation een kind geen omgang heeft met één van zijn ouders en de rechter de omgang niet heeft ontzegd, zal de omgang geëffectueerd moeten worden. De effectuering van omgang is echter, zoals gezegd, een gecompliceerd vraagstuk. Dit komt omdat omgang in het belang van het kind is, maar de neveneffecten van de effectuering dit niet altijd zijn. Zo heeft het effectueren van de omgangsregeling met behulp van de sterke arm (politie) verstrekkende gevolgen voor een kind. In de discussie over effectuering van omgang dient een balans te worden gevonden tussen enerzijds de noodzaak tot het effectueren van een omgangsregeling en anderzijds het belang van het kind..
(…) In de wet is een aantal civielrechtelijke dwangmiddelen opgenomen. In mijn brief van 4 december 2002 (Kamerstukken II 2002/03, 28600 VI, nr. 105) is een bijlage gevoegd met een overzicht van deze dwangmiddelen. De volgende dwangmiddelen kunnen worden opgelegd door de rechter bij het niet nakomen van een omgangsregeling :1. Dwangsom (…) 2.Lijfsdwang (…)Naast deze dwangmiddelen is het mogelijk om de volgende middelen in te zetten om omgang te effectueren: 1.Opschorting van de betaling van kinderalimentatie (…) 2. Vermindering of ontzegging partneralimentatie (…) 3.Ondertoezichtstelling (…) 4. Wijziging gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag (…) 5.Wijziging eenhoofdig gezag in gezamenlijk gezag (…) 6.. Wijziging verblijfplaats .. van het kind (…)..
(…) In de praktijk blijken deze (dwang)middelen niet afdoende te werken, omdat er gevallen zijn waarin omgang niet tot stand komt, terwijl de omgang door de rechter niet is ontzegd. De vraag is wat de taak van de overheid is om de omgang alsnog te realiseren.
Inzake de effectuering van de omgang heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens een aantal uitspraken gedaan (o.a. Glaser tegen het Verenigd Koninkrijk, 19 september 2000, no. 32346/96, par. 66 en Mark tegen Duitsland, 31 mei 2001, no. 45989/9). In de uitspraken komt naar voren dat de Staat enerzijds verplicht is om maatregelen te treffen teneinde de medewerking aan de omgang tot stand te brengen. Anderzijds kunnen deze maatregelen niet steeds worden afgedwongen, omdat de toepassing van dwang wordt begrensd door de rechten en belangen van betrokkenen, in het bijzonder die van het kind.
(…) In de zaak van Sophia Gudrún Hansen tegen Turkije heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens … Turkije veroordeeld, omdat het Hof van mening is dat Turkije niet alle noodzakelijke stappen heeft genomen om de omgangsregeling tot stand te laten komen.(…)
Deze uitspraak en de discussie in de Tweede Kamer hebben mij aanleiding gegeven nogmaals te bekijken of de overheid aan zijn plicht voldoet om maatregelen te treffen om omgang te realiseren en tevens te beoordelen of er aanvullende maatregelen nodig zijn. (…) Aanvullend op de bestaande mogelijkheden om maatregelen te treffen, ben ik voornemens om in de wet tot uitdrukking te brengen dat er een plicht tot omgang is.
(…) Naar verwachting is het stellen van deze norm ook belangrijk bij de effectuering van omgang.”
In de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 april 2004 (Vergaderjaar 2003-2004, Kamerstuk 29520, nr.1) heeft de Minister - voor zover hier van belang - geschreven:
“Op 4 december 2002 en 4 juni 2003 heb ik Uw Kamer bericht over deze scheidings- en omgangs-problematiek. (…)
In de brief van 4 december 2002 van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28600 VI, nr. 105) is, onder het kopje “Strafbaarstelling van het niet nakomen van een omgangsregeling” opgenomen:
“Ten aanzien van de aanbeveling een strafbepaling in de wet op te nemen sluit ik mij aan bij het door mijn voorganger ingenomen standpunt hiervan af te zien, onder meer omdat hiermee een handhavingsverplichting wordt geschapen, die onvoldoende toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het middel van (civielrechtelijke) lijfsdwang (art.585 Rv). We beschikken zoals eerder vermeld al over een uitgebreid scala aan civielrechtelijke dwangmiddelen. Ik wil bovendien benadrukken dat ik het strafrecht beschouw als een ultimum remedium en geen geëigend middel acht om deze problematiek op te lossen”
Voorts staat in de Memorie van Antwoord gericht aan de leden de Eerste Kamer (kamerstuk Eerste Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 301245, C) bij wetsontwerp 30145 (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) nog het navolgende:
(…) De aan het woord zijnde leden… vroegen welke instrumenten kunnen worden gehanteerd om de verdeling van zorg- en opvoedingstaken daadwerkelijk af te dwingen als de andere ouder daaraan niet of niet voldoende meewerkt.
De volgende civielrechtelijke dwangmiddelen kunnen worden opgelegd:
1. Dwangsom (....), 2. Lijfsdwang.
(…) Daarnaast kan de rechter op verzoek van een der partijen in de beschikking een afgiftebevel eventueel met behulp van de sterke arm opnemen. Een effectief middel om de zorg- en omgangsregeling af te dwingen lijkt het (voorlopige) toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.
(…) Ook bestaat de mogelijkheid om een kind onder toezicht te laten stellen.
(...) Voorts kan worden gewezen op de mogelijkheid een bijzondere curator( ...) te benoemen die het kind in en buiten rechte vertegenwoordigt.”
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat het naleven van een omgangsregeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever in beginsel dient te worden gehandhaafd door middel van de genoemde maatregelen van civielrechtelijke aard. Maatregelen van strafrechtelijke aard zijn daarbij immers niet voorgesteld. Ook een aparte strafbaarstelling - naast de civielrechtelijke dwangmaatregelen - van een ouder die de medewerking aan een omgangsregeling weigert - is door de wetgever vooralsnog niet overwogen. Het Wetboek van Strafrecht kent daartoe immers geen specifieke strafbepaling.

Op grond van het vorenstaande is, hoewel de verdachte - zoals hiervoor is vastgesteld - zich op verschillende tijdstippen in de ten laste gelegde periode niet heeft gehouden aan de door de rechter opgelegde omgangsregeling,naar het oordeel van het hof geen sprake van opzettelijke onttrekking aan het wettelijk gezag of toezicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. S. Clement en mr. E.J. van Keken, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2012.

Mr. Van Keken is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

_____
Mw. mr. S. Clement is senior raadsheer aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 01-07-2010
Mw. mr. E.J. van Keken is Raadsheer-plaatsvervanger aan het Gerechtshof Amsterdam sinds 16-09-2009 en senior rechter aan de Rechtbank Haarlem sinds 01-01-2011 (met als nevenbetrekking Annotator bij JVGGZ - Jurisprudentie Verplichte geestelijke gezondheidszorg, SDU Uitgevers Den Haag sinds 01-06-2010)
Dhr. mr. P.A.M. Hoek is Raadsheer aan de Gerechtshof Amsterdam sinds 01-02-2009

_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____

Hoge Raad:

maandag, april 23, 2012

537. Het echec van de Wet op het Voortgezet Ouderschap Na Scheiding (2009) bij de aanpak van ouders die de andere ouder buitensluiten of vervreemden van de kinderen na een scheiding

Peter Tromp


Peter van Straeten - Jullie papa is helemáál niet lief!

Richard Gardner zelf heeft in zijn lezing van 1998 in de Grote Kerk van Breda vanuit zijn jarenlange ervaring als getuige-deskundige in Amerikaanse familierechtzaken reeds gesteld, dat een effectieve herstelaanpak van de nu na scheiding zo veelvuldig voorkomende oudervervreemding en buitensluiting van de kinderen van hun andere ouder door kwaadwillende “verblijfsouders”, c.q. ouders waaraan door de rechter het (hoofd)verblijf van de kinderen werd toegewezen (veelal moeders, maar ook vaders), eigenlijk alleen goed mogelijk is wanneer deze herstelaanpak ook ingezet wordt met maatregelen door de familierechter.

Daarbij heeft Gardner met name het middel van de Contraire Gezagswijziging of de Contraire Zorgtoewijzing genoemd als beste optie. Het kind wordt daarbij onder het gezag en/of de zorg geplaatst van die ouder die het best in staat moet worden geacht om het contact en goede relaties van het kind met de andere ouder te stimuleren en bevorderen.

Het voorstel om de concrete maatregel van de Contraire Gezagswijziging of de Contraire Zorgtoewijzing als maatregel op te nemen in de Wet op het Voortgezet Ouderschap Na Scheiding van 2009 heeft het echter niet gehaald.

In plaats daarvan is bij de wetswijziging op het Voortgezet Ouderschap Na Scheiding uit 2009 bij het ouderlijk gezag in BW1:Art. 247, lid 3 alleen nog de volgende wetstechnisch vage – want in de lucht hangend en niet aan enige maatregel (gezagswijziging) van de rechter verbonden en daarmee zonder enige consequentie als een ouder niet meewerkt – formulering opgenomen:
BW1:Art. 247, lid 3.
Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.
Terwijl daarnaast in BW1:Art. 251a lid 1a wel tevens het zgn. “Klemcriterium” van mv. Quik-Schuit c.s. (SP-Senator en lobbyiste voor verblijfsmoeders) in de wetswijziging werd toegevoegd en opgenomen, die wetstechnisch wel onmiddelijk tanden meekreeg en aan (buitensluitings)maatregelen van de rechter (nl. gezagswijziging en ontheffing uit het gezag) werd verbonden:
BW1:Art. 251a lid 1.
De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen
Het betreft hier eigenlijk de aloude en al veel eerder in de jurisprudentie als volstrekt willekeurig afgeschafte subjectieve rechtspraktijk, waarin zorgouders in het verleden, door te stellen dat zij met de andere ouder niet overweg konden of wilden of met de andere ouder niet wilden of konden communiceren, het bij rechters voor elkaar kregen dat die andere ouder buitengesloten werd en geen omgang kreeg met de kinderen. De subjectieve wensen en belangen van zorgouders werden hiermee boven de belangen van de betrokken kinderen op zorg van, en contact met, beide ouders gesteld.

Deze oude subjectieve en door de jurisprudentie afgeschoten rechtspraktijk heeft mv. Quik-Schuit echter in het nieuwe jasje van het “klemcriterium” gestoken en – daarmee de klok terug draaiend – opnieuw weten in te voeren bij een slapend parlement. Daarmee heeft Quik-Schuit (SP-Senator) het in 2009 voor elkaar gekregen dat de door de politiek gewenste bevordering van het contact met beide ouders en het aanpakken van conflict zoekende en vervreemdende zorgouders in de wet volledig tandeloos zijn gebleven, terwijl tegelijkertijd aan de conflict zoekende en vervreemdende ouders zelf in de wet de verscheurende tanden van het “Klemcriterium” zijn aangeboden. Het enige wat deze ouders nog (opnieuw) hoefden te doen was weer structureel ruzie zoeken met de andere ouder en alle medewerking en communicatie weigeren om de rechters opnieuw te doen besluiten tot buitensluiting van de andere ouder middels zorg-, omgangs- en gezagsontneming “omdat het kind klem of verloren zou dreigen te geraken tussen de beide ouders”.

Voila, het hele echec van de wetswijziging “Voortgezet Ouderschap na Scheiding” uit 2009 in een notendop ! Hoe het parlement (Tweede en Eerste Kamer) heeft zitten slapen bij de coup van Quik-Schuit c.s.




vrijdag, april 13, 2012

536. Ombudsman onderzoekt ondertoezichtstelling bij complexe echtscheidingen

De Nationale Ombudsman, 13 april 2012 

De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman onderzoeken de manier waarop Bureaus Jeugdzorg omgaan met de ondertoezichtstellingen. Het gaat hierbij om ondertoezichtstellingen die speciaal zijn gericht op omgangsregelingen bij complexe echtscheidingen. De Nationale ombudsman bundelt klachten die ouders hebben over de uitvoering van de omgangs-ondertoezichtstelling en onderzoekt wat daar mogelijk aan te doen is. Ook de manier waarop Bureau Jeugdzorg het perspectief van het kind meeneemt in de uitvoering, krijgt aandacht in het onderzoek.

Het onderzoek komt voort uit signalen van ouders die zich bij de Nationale ombudsman hebben gemeld. Het gaat daarbij om zaken waarin de verzorgende ouder weigert de omgangsregeling met de niet-verzorgende ouder na te komen. Omdat de verzorgende ouder weigert mee te werken, vraagt de rechter via een ondertoezichtstelling aan Bureau Jeugdzorg de omgang tot stand te brengen. De rechterlijke uitspraken op dit punt kunnen variëren: van de uitspraak waarin de rechter BJZ vraagt te proberen omgang tot stand te brengen tot de uitspraak dat BJZ moet zorgen dat binnen een bepaalde tijd een specifieke omgangsregeling tot stand komt. Maar als ouders niet meewerken, wordt het voor BJZ moeilijk om iets te bereiken.

Ondanks deze rechterlijke uitspraken komt het geregeld voor dat een ouder uiteindelijk het contact verliest met de kinderen. En zo ontstaat er bij de ouders een gevoel van onrechtvaardigheid. Naar verwachting is het onderzoek in de zomer van 2012 afgerond.
Bent u journalist dan kunt u voor meer informatie contact opnemen met: Erna van Eerden (070) 356 36 37 of Yara Backx (070) 356 35 22.

Heeft u vragen over het onderzoek, dan kunt u een e-mail sturen naar omgangs-ots@nationaleombudsman.nl

Trefwoorden: BJZ, Bureau Jeugdzorg, Nationale Ombudsman, Ondertoezichtstelling, onderzoek, OTS, Omgangs-ondertoezichtstelling, Omgangs-OTS, 

donderdag, april 12, 2012

535. Turkse vader krijgt 3 jaar celstraf voor onttrekking van zijn dochtertje aan moeder (LJN: BW2171). Zou dat ook gebeurd zijn als vader een moeder was geweest?

Drie jaar cel voor onttrekking van dochtertje aan haar moeder

Bron: Rechtspraak.nl, Alkmaar , 12-4-2012

Een 32-jarige inwoner van Alkmaar is door de rechtbank van Alkmaar veroordeeld voor het onttrekken van zijn dochter aan het gezag van haar moeder. Het toen 2-jarige meisje was tijdens een verblijf van het gezin in Turkije door de rechter in de rechtbank van Konya aanvankelijk voorlopig toegewezen aan de verdachte tijdens detentie van haar moeder. Nadat deze was vrijgesproken heeft de familiekamer het kind in oktober 2010 aan haar moeder toevertrouwd en dit is in december 2010 bevestigd.

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf
De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren. De straf is hoger dan de eis van de officier van justitie die een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm had gevorderd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank overwogen dat de man het recht in eigen hand heeft genomen en alle rechterlijk uitspraken heeft genegeerd. Ook na terugkeer in Nederland heeft de man de uitspraken genegeerd waarbij het kind door de Nederlandse rechter is toevertrouwd aan haar moeder, met bevel tot afgifte onder oplegging van een dwangsom. Inmiddels is ook lijfsdwang opgelegd. De rechtbank neemt het de man ernstig kwalijk dat hij niet alleen ieder contact tussen het nu 3-jarige meisje en haar moeder afwijst, maar daarnaast ook de moeder in het geheel geen informatie geeft over de verblijfplaats en het welzijn van haar dochter.

Uitspraken: BW2171

LJN: BW2171, Rechtbank Alkmaar , 14.810019-11

Datum uitspraak: 12-04-2012
Datum publicatie: 12-04-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaats: Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en bevoegd opzicht van de moeder tijdens verblijf van de verdachte en zijn vrouw en hun tweejarige dochter in Turkije. Haags kinderbeschermingsverdrag. Voortduren van de onttrekking na de ten laste gelegde periode, in weerwil van uitspraken van rechters in familiekamers in Turkije en in Nederland. Veroordeling tot gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Uitspraak
RECHTBANK ALKMAAR
Sector straf

Parketnummer:   14.810019-11 (P)
Datum uitspraak:   12 april 2012

TEGENSPRAAK
(gemachtigd raadsman)

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats]([geboorteland]) op [geboortedatum],
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats], feitelijke verblijfplaats onbekend.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. G.J.M. Kruizinga, advocaat te Alkmaar naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat
hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2010 tot en met 2 maart 2011 in de gemeente Alkmaar, althans in Nederland en/of in Turkije, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige beneden de 12 jaren oud, te weten [de dochter], geboren op [geboortedatum], die toen aldus de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, genoemde minderjarige niet aan haar moeder, te weten [de moeder] teruggegeven, terwijl door de Turkse rechter (van de rechtbank in familiezaken te [plaatsnaam]) op 18 oktober 2010 (en/of welk [tussen]vonnis is bevestigd op 16 december 2010) was beslist dat
- het gerechtelijke bevel van 07 september 2010 van voornoemde rechtbank in familiezaken, tot afgifte van voornoemde minderjarige aan hem, verdachte, is ingetrokken en/of
- voornoemde minderjarige door hem, verdachte, aan de moeder, te weten [de moeder], moet worden teruggegeven;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding
De verdachte is in 2007 in het huwelijk getreden met [de moeder] (hierna: de moeder). In 2008 is de moeder bij de verdachte in Nederland komen wonen en op [geboortedatum] werd uit het huwelijk een dochter geboren, [de dochter]. Tijdens een vakantie in Turkije in de zomer van 2010 kregen de verdachte en de moeder ruzie. De verdachte heeft aangekondigd van haar te willen scheiden. De moeder heeft daarop een poging tot zelfdoding ondernomen en is vervolgens aangehouden en in bewaring gesteld op verdenking van het vergiftigen van haar dochter [de dochter]. Op 7 september 2010 heeft de rechtbank te [plaatsnaam] (Turkije) [de dochter] bij voorlopige maatregel toegewezen aan de verdachte. Toen de moeder de daaropvolgende maand werd vrijgesproken heeft dezelfde rechtbank tot tweemaal toe bepaald dat [de dochter] moest worden toegewezen aan de moeder. In weerwil van deze beslissingen van de rechtbank in Turkije, heeft de verdachte [de dochter] niet aan de moeder afgegeven. De moeder heeft aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag door de verdachte.

De rechtbank dient te beoordelen of het ten laste gelegde feit bewezen te achten is. Voorts dient de rechtbank te oordelen over de strafbaarheid van het feit en van de verdachte.

B. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

De tenlastelegging is onderbouwd met uitspraken van de Turkse rechter van 18 oktober 2010 en van 16 december 2010. Volgens de raadsman was de Turkse rechter gelet op het door Turkije geratificeerde Haags kinderbeschermingsverdrag, te weten het verdrag van 1961 (hierna: het Verdrag), echter niet bevoegd en kan de maatregel waarin [de dochter] aan de moeder werd toegekend niet worden erkend, nu niet blijkt dat de rechtbank in [plaatsnaam] aan de Nederlandse autoriteiten kenbaar heeft gemaakt dat zij voornemens was een dergelijke maatregel te nemen

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank
In juni 2010 is de moeder met [de dochter] naar Turkije gegaan. De verdachte is hen nagereisd. Op 6 augustus 2010 werd de moeder in Turkije aangehouden omdat zij ervan werd verdacht dat zij had gepoogd haar dochter om het leven te brengen. Bij voorlopige maatregel van 7 september 2010 – genomen in het kader van een door de verdachte ingediend verzoekschrift tot echtscheiding – heeft de rechtbank in [plaatsnaam] het voogdijschap over [de dochter] aan de verdachte toegekend.

Op 13 oktober 2010 is de moeder vrijgesproken van het haar ten laste gelegde. In dit vonnis is onder meer overwogen dat, nu in het bloed van het kind niet is aangetroffen het werkzame bestanddeel van rattengif, het opzet op de dood van kind ontbreekt, terwijl evenmin de wijze waarop de moeder heeft gepoogd zelfdoding te plegen door het drinken van rattengif uit een zuigflesje tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan leiden. Bij beschikking van 18 oktober 2010 heeft de rechtbank in [plaatsnaam] het besluit van 7 september 2010 ingetrokken en bepaald dat [de dochter] naar de moeder moest worden gebracht. Op 16 december 2010 heeft de Turkse rechter de eis van de verdachte om, met wijziging van laatstgenoemde beschikking, het tijdelijk ouderlijk gezag weer aan hem toe te kennen, afgewezen. De verdachte erkent dat hij [de dochter] in weerwil van deze rechterlijke uitspraken niet aan de moeder heeft teruggegeven. Toen de moeder vrijkwam heeft haar broer telefonisch contact met de verdachte opgenomen, omdat de moeder [de dochter] wilde ophalen. De verdachte heeft [de dochter] elders ondergebracht en is naar Nederland gereden. [de dochter] staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van de verdachte, [adres en woonplaats]. De verdachte heeft verklaard dat hij [de dochter] bij haar moeder vandaan houdt, omdat hij de moeder niet vertrouwt. De verdachte heeft [de dochter] ondergebracht bij een kennis die ook een vrouw en een kind heeft.

De rechtbank stelt voorop dat in deze zaak toepasselijk is het door de raadsman genoemde Haags kinderbeschermingsverdrag van 1961, nu Turkije niet is toegetreden tot het ‘Haags kinderbeschermingsverdrag 1996’.

Anders dan de raadsman is de rechtbank evenwel van oordeel dat de bevoegdheid van de Turkse autoriteiten om een beschermingsmaatregel ten aanzien van [de dochter] te nemen niet voortvloeit uit artikel 4 van het Verdrag, maar uit artikel 9 van dat Verdrag, welk artikel onder meer bepaalt dat de autoriteiten van iedere Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de minderjarige zich bevindt, in spoedeisende gevallen de noodzakelijke beschermingsmaatregelen nemen.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat, gelet op de omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen, vanaf augustus 2010 sprake was van een urgente situatie die in het belang van [de dochter] onmiddellijk ingrijpen van de Turkse autoriteiten vergde. Immers, tussen de verdachte en de moeder was een ernstig conflict ontstaan, resulterend in een poging tot zelfdoding van de moeder en daaropvolgend haar aanhouding op verdenking van een strafbaar feit. De verdachte heeft vervolgens een echtscheidingsverzoek ingediend. Hangende dit verzoek tijdens de detentie van de moeder waren de Turkse autoriteiten – als de autoriteiten van het land waar [de dochter] zich op dat moment bevond – gehouden zo spoedig mogelijk duidelijkheid te scheppen over het voorlopig gezag over [de dochter]. Na de vrijspraak en daarmee samenhangende vrijlating van de moeder was het conflict tussen de verdachte en de moeder geenszins voorbij, de echtscheiding werd doorgezet en beiden maakten aanspraak op [de dochter], die zich op dat moment nog altijd in Turkije bevond. In een dergelijke conflictsituatie, waarbij beide partijen hangende een procedure het tijdelijk gezag eisen over een minderjarige, is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer sprake van een spoedeisend geval zoals bedoeld in artikel 9 van het Verdrag. Dit maakt dat de Turkse autoriteiten zowel op 18 oktober 2010 als op 16 december 2010 bevoegd waren maatregelen betreffende het gezag over [de dochter] te nemen.

De Nederlandse rechter heeft, na een voortgezette mondelinge behandeling waar zowel de verdachte als de moeder aanwezig waren, op 28 maart 2011 bepaald dat [de dochter] aan haar moeder wordt toevertrouwd en heeft tevens de afgifte van [de dochter] aan de moeder bevolen op straffe van een dwangsom. Ingevolge artikel 9 van het Verdrag waren de uitspraken van de Turkse rechter derhalve gedurende de hele ten laste gelegde periode van kracht.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode heeft gehandeld in strijd met eerdergenoemde bevoegd genomen beslissingen van de rechtbank in [plaatsnaam], door [de dochter] niet terug te geven aan de moeder die niet slechts mede het ouderlijke gezag had maar tevens het opzicht over [de dochter]. De rechtbank acht het ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 18 oktober 2010 tot en met 2 maart 2011 in Nederland en/of in Turkije, opzettelijk een minderjarige beneden de 12 jaren oud, te weten [de dochter], geboren op [geboortedatum], die toen aldus de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag en aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen genoemde minderjarige niet aan haar moeder, te weten
[de moeder] teruggegeven, terwijl door de Turkse rechter (van de rechtbank in familiezaken te [plaatsnaam]) op 18 oktober 2010 (welk tussenvonnis is bevestigd op 16 december 2010) was beslist dat
- het gerechtelijke bevel van 7 september 2010 van voornoemde rechtbank in familiezaken, tot afgifte van voornoemde minderjarige aan hem, verdachte, is ingetrokken en
- voornoemde minderjarige door hem, verdachte, aan de moeder, te weten [de moeder] moet worden teruggegeven;

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Beroep op noodtoestand
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte in het belang van de gezondheid van [de dochter] er tijdens de ten laste gelegde periode voor heeft gekozen [de dochter] niet bij haar suïcidale moeder achter te laten en daarbij geen uitvoering te geven aan een gerechtelijk bevel. De verdachte is ervan overtuigd dat de moeder [de dochter] in levensgevaar heeft gebracht nu er sporen van rattengif in het flesje van [de dochter] zijn gevonden. Het welzijn van [de dochter] weegt zwaarder, waarbij is voldaan aan de eis van proportionaliteit. Ten aanzien van de subsidiariteit heeft de raadsman aangevoerd dat er geen alternatief, minder ver gaand middel, kon worden aangewend.

De raadsman heeft bovendien een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid gedaan. De verdachte beschermt met het niet overdragen van [de dochter] aan haar moeder het welzijn van [de dochter], hetzelfde rechtsgoed dat door artikel 279 Wetboek van Strafrecht wordt beschermd.

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het beroep op een rechtvaardigingsgrond dient te worden afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand dient de noodtoestand objectiveerbaar te zijn en dus niet alleen in de beleving van de verdachte te bestaan. Uit de beschikking van 18 oktober 2010 blijkt dat de rechter van de familiekamer het gegeven, dat de moeder terecht heeft gestaan op verdenking haar kind te hebben vergiftigd, bij zijn afweging heeft betrokken. Daarbij is de rechter tot het oordeel gekomen dat de moeder is vrijgesproken van het ten laste gelegde en dat [de dochter] haar moeders zorg en liefde nodig heeft. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een belangenconflict, de rechter in Turkije heeft immers het belang van [de dochter] tot uitgangspunt genomen en de verdachte stelt hetzelfde te doen. Dat de verdachte dit belang anders afweegt dan de rechter, maakt dit niet anders. Gelet hierop is er geen sprake van een objectiveerbare noodsituatie, maar van een tweetal rechterlijke uitspraken waarmee de verdachte het niet eens is. De verdachte heeft immers de kans benut om wijziging van de uitspraak van 18 oktober 2010 te vragen waarna deze uitspraak is bevestigd. Het beroep op noodtoestand wordt dan ook verworpen.

Nu van tegengestelde belangen geen sprake is, verwerpt de rechtbank voorts het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:
Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag en bevoegd opzicht terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Beroep op psychische overmacht
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte uit angst voor het welzijn van [de dochter] dusdanig in paniek is geraakt bij het aanhoren van de onbegrijpelijke beslissing van de Turkse familierechter, dat er sprake is van psychische overmacht. De verdachte had immers gehoord dat de moeder zichzelf en hun tweejarige dochter [de dochter] had vergiftigd, waarna hij [de dochter] volledig overstuur in het ziekenhuis heeft bezocht. De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het beroep op psychische overmacht dient te worden verworpen.

Beoordeling door de rechtbank
Bij psychische overmacht is sprake van een psychische drang veroorzaakt door een van buiten de dader komende kracht. Deze psychische drang moet van een zodanige aard zijn dat de wilsvrijheid van de dader is aangetast en dat de dader de drang redelijkerwijs niet hoeft te weerstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de wilsvrijheid van de verdachte niet aangetast. De verdachte heeft bewust besloten de beslissing(en) van de Turkse rechter niet uit te voeren, omdat de verdachte het niet eens was met die beslissing(en).

Die beslissing van de verdachte is niet genomen in de eerste dagen van paniek zoals door de verdediging beschreven. Integendeel was [de dochter] in die periode aan de verdachte toevertrouwd. De beslissing is genomen en gehandhaafd in de ten laste gelegde periode van meer dan vier maanden. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom afgewezen.

De verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan het vonnis van de rechtbank in Turkije in die zin dat hij het kind onder het gezag van de moeder stelt.

Standpunt van de verdachte/de verdediging
Voor het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt zonder dat er sprake is van een strafuitsluitingsgrond, heeft de raadsman een veroordeling zonder strafoplegging ex artikel 9a Wetboek van Strafrecht bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit het advies van de reclassering op te volgen en de verdachte te veroordelen tot een werkstraf. Meer subsidiair heeft de raadsman aansluiting gezocht bij rechterlijke uitspraken waarbij een geheel voorwaardelijke straf werd opgelegd.

Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Hij heeft zijn minderjarige dochter [de dochter] onttrokken aan het over haar gestelde gezag en opzicht door haar in strijd met verschillende rechterlijke beslissingen niet terug te brengen naar haar moeder en haar op een voor de moeder onbekende plaats onder te brengen. [de dochter] was ten tijde van die beslissingen twee jaar en zij heeft sindsdien haar moeder niet meer gezien. De verdachte heeft de uitspraken van de Turkse rechter welbewust genegeerd en aldus het recht in eigen hand genomen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat de verdachte [de dochter] niet alleen tijdens de ten laste gelegde periode, maar ook nadien onttrokken heeft gehouden aan het wettig gezag en opzicht van haar moeder. Op 28 maart 2011 heeft de Nederlandse familierechter eveneens beslist dat [de dochter] aan de moeder wordt toevertrouwd met bevel tot afgifte van [de dochter] aan haar moeder.

Deze beslissing is nadien bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 oktober 2011 uitvoer bij lijfsdwang verklaard.

Bovendien heeft de Turkse rechter op 3 oktober 2011 de echtscheiding uitgesproken en de voogdij van [de dochter] aan de moeder toegekend. Ook deze beslissingen hebben de verdachte er niet toe gebracht [de dochter] aan haar moeder over te dragen. Tijdens de terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 1 februari 2012 heeft de rechtbank de verdachte, door tussenkomst van zijn raadsman en zijn in de zaal aanwezige familie, dringend aanbevolen om contact op te nemen met de moeder voor overleg over [de dochter]. De verdachte heeft ook deze aanbeveling naast zich neergelegd, naar mededeling van diens raadsman omdat hij de tijd daarvoor niet rijp acht.

Daarnaast neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij de moeder geheel in het ongewisse laat over de verblijfplaats en het welzijn van hun dochter. De moeder heeft tot op heden geen idee waar haar kind verblijft, of zij het goed maakt en door wie zij wordt verzorgd. De verdachte staat in de weg aan elke vorm van contact. De stelling van de verdachte dat hij handelt in het belang van [de dochter] acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu het hier gaat om een zeer jong kind – nu drie jaar – van wie evident is dat zij juist vanwege haar jonge leeftijd haar moeder nodig heeft. Hoezeer de moeder wordt aangegrepen door de verdwijning van haar dochter, werd nog eens onderstreept door de schriftelijke slachtofferverklaring die namens de moeder is overgelegd. De rechtbank kan slechts raden naar de gevolgen die het handelen van de verdachte voor zijn dochter heeft gehad, wier moeder haar van de ene op de nadere dag werd ontnomen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 januari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een ernstig misdrijf is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 27 juni 2011. Reclassering Nederland adviseert een onvoorwaardelijke straf in de vorm van een werkstraf aangezien de verdachte niet open staat voor begeleiding vanuit de reclassering of een andere instelling. Gezien de ernst van het feit en het voortduren van het feit is een werkstraf naar het oordeel van de rechtbank echter een gepasseerd station.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande en gezien de halsstarrige houding van de verdachte, van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf op haar plaats is. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding een deel van die straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. De verdachte heeft keer op keer laten zien zich van rechterlijke beslissingen niets aan te trekken. Een voorwaardelijke straf zal er in de visie van de rechtbank dan ook evenmin toe leiden dat de verdachte zijn dochter in de toekomst zal herenigen met haar moeder, zodat daarvan geen meerwaarde uitgaat.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door
mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. E.M. Devis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2012.

Dhr. P.H.B. Littooy is sinds 01-01-2011 senior rechter bij de Rechtbank Alkmaar en is sinds 01-03-2002 voorzitter van Klachtencommissie III voor de Raden voor de Kinderbescherming Amsterdam, Haarlem, Utrecht en Alkmaar als nevenbetrekking.

Mv. L. Boonstra is sinds 01-10-2006 rechter bij de Rechtbank Alkmaar en is sinds 01-09-2011 lid van de Medezeggenschapsraad van Basisschool De Panta Rhei in Beverwijk en sinds 01-08-2010 lid van de Oudercommissie van Kinderdagverblijf De Waterval in Beverwijk als nevenbetrekkingen.

Mv. E.M. Devis is sinds 01-06-2009 rechter aan de Rechtbank Alkmaar en was voordien van 01-08-2006 tot 31-05-2009 advocaat bij Van Gessel Advocaten in Amsterdam.

Commentaar bij deze uitspraak (concept)

Onderstaand commentaar betreft slechts een eerste concept en is nog in ontwikkeling en verre van definitief.

Bevoegdheid Turkse rechter - Is de gezagsbeschikking van de Turkse rechter een kinderbeschermingsmaatregel in het kader van artikel 9 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 of niet?

De drie Alkmaarse rechters (voorzitter-rechter dhr. P.H.B. Littooy, tevens voorzitter van Klachtencommissie III voor de Raden voor de Kinderbescherming Amsterdam, Haarlem, Utrecht en Alkmaar, en de rechters mv. L. Boonstra en mv. E.M. Devis) veronderstellen in hun uitspraak LJN BW2171 van 12 april 2012 (zie hieronder) een 'spoedeisende kinderbeschermingsmaatregel' (OTS of UHP) bij een gezagsuitspraak van een Turkse rechter bij een scheiding, om vervolgens, met een beroep op Artikel 9 uit het door Turkije geratificeerde Haags kinderbeschermingsverdrag uit 1961, een jonge Turkse vader uit Alkmaar 3 jaar gevangenisstraf te kunnen geven op grond van onttrekking (Sv art. 279). De uitspraak van de Alkmaarse rechters was daarbij ook zwaarder dan de eis van het OM.
Artikel 9, Haags verdrag van 5 oktober 1961 betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (1961)
  • De autoriteiten van iedere Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de minderjarige zich bevindt of goederen bezit, nemen in spoedeisende gevallen de noodzakelijke beschermingsmaatregelen.
  • Voor zover zij hun uitwerking nog niet hebben gehad, verliezen de met toepassing van het vorige lid genomen maatregelen hun kracht, zodra de ingevolge dit Verdrag bevoegde autoriteiten de door de omstandigheden vereiste maatregelen hebben genomen.
Allereerst heeft de rechtbank van het Turkse Konya, toen een moeder tijdens het kort verblijf van het gezin in Turkije vanwege een dreigende scheiding een zelfmoordpoging had ondernomen en er daarbij ook rattengif is aangetroffen in het babyflesje van beider dochtertje, met de voorlopige toewijzing van het dochtertje aan vader, al de kinderbeschermingsmaatregel in spoedeisende situaties genomen, die aan haar ook toekwam op grond van Artikel 9 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (zie artikel 9, lid 2 hierboven). Op grond van de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland is het immers vervolgens niet de Turkse, maar de Nederlandse rechter die bevoegd was tot het nemen van verdere gezagsmaatregelen over het kind.

Verder lijkt de latere gezagsbeschikking door de rechtbank van Konya in oktober en december 2010 ook in haar aard geen kinderbeschermingsmaatregel (OTS, UHP) in het kader van het Haags Kinderbeschermingsverdrag, maar een gezagsbeschikking in het kader van een scheiding, te zijn geweest. En daartoe was de Turkse rechter op grond van de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland alweer niet bevoegd. Dat kwam toe aan de Nederlandse rechter.

En hoewel oudervervreemding ons inziens als een van de ernstigste vormen van kindermishandeling moet worden gezien, wordt oudervervreemding bij scheiding momenteel toch niet als vorm van kindermishandeling door de Nederlandse kinderbescherming en in het Nederlandse familierecht erkent.
Ergo een kind weghouden bij een andere ouder is volgens het Nederlandse familierecht en de Nederlandse kinderbescherming dan ook geen kindermishandeling, waartegen een kinderbeschermingsmaatregel gerechtvaardigd is.

Daar spreekt tegen dat de Nederlandse rechter in een later stadium toch alsnog de uitspraken van de onbevoegde Turkse rechter heeft bevestigd en dat vader zijn dochtertje ook nu nog steeds onttrokken houdt aan de moeder als de andere ouder.

Tot slot moet vastgesteld worden dat moeders in Nederland nog nooit effectief veroordeeld en opgesloten zijn voor het misdrijf van onttrekking (WvS, Art. 279), terwijl het aantal gepleegde misdrijven van onttrekking door moeders vele malen groter is dan het aantal gepleegde misdrijven van onttrekking door vaders.

Voorlopige conclusie
De vader stelt: "De verdachte is ervan overtuigd dat de moeder [de dochter] in levensgevaar heeft gebracht nu er sporen van rattengif in het flesje van [de dochter] zijn gevonden."

De rechters stellen daar tegenover: "Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand dient de noodtoestand objectiveerbaar te zijn en dus niet alleen in de beleving van de verdachte te bestaan." 

Voor de vader levert het gevonden rattengif in het babyflesje van zijn dochter echter een voldoende objectiveerbare noodtoestand op, waar de rechtbank dit tegenspreekt.

Uitspraak LJN BW2171 van 12 april 2012 van de Rechtbank Alkmaar waarin een jonge Turkse vader van 32 jaar uit Alkmaar, die als vader de ouderlijke zorgplicht (BW1, Art. 247, Leden 1 en 2) voor zijn dochter serieus heeft genomen, tot 3 jaar gevangenisstraf is veroordeeld, moet tegen deze achtergrond daarom wel als leven verwoestend, buitenproportioneel, discriminerend en seksistisch beoordeeld worden.

BW1, Artikel 247, Leden 1, 2 en 3: Zorgplicht ouders:
  1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden
  2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.
  3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.


_____
Disclaimer: Vader Kennis Centrum (VKC) kan geen sluitend juridisch advies geven: neemt u hiervoor, als het zover komt, contact op met bijvoorbeeld een advocaat, notaris of de geëigende overheidsinstanties. VKC huldigt een eigen rechtsopvatting op een rechtsgebied dat in ontwikkeling is. Hoewel VKC de grootst mogelijke algemene zorg aan uw adviesverzoek en – in voorkomend geval - melding zal besteden, is VKC niet aansprakelijk voor de gegeven adviezen. Adviezen en reacties van VKC worden uitsluitend gegeven onder volledige uitsluiting van alle aansprakelijkheid van VKC voor de door haar gegeven adviezen en reacties.
_____